Warning: Parameter 1 to wp_default_styles() expected to be a reference, value given in /data/www/timdeboer.org/www/wp-includes/plugin.php on line 571 Warning: Parameter 1 to wp_default_scripts() expected to be a reference, value given in /data/www/timdeboer.org/www/wp-includes/plugin.php on line 571 air | Tim.de.Boer.org

All posts tagged air

Ken Yeang – BioClimatic City / Verticale stedenbouw.

In het kader van de Academie van Bouwkunst Rotterdam / AIR lezingenserie over de toekomst van Rotterdam -Rotterdam Reinvented- sprak op 28 maart 2008 de Maleisische architect Ken Yeang over hoogbouw, in het bijzonder over eco-skyscrapers.

Read more…

Twitterrr: Rotterdam // AIR BUBBLE SUMOFFICE

Is het een stadsstrand? Een zandstorm? De laatste toepassing van shared space concept? nee, het is het Weena in Rotterdam.

Vanavond toch maar even wezen kijken bij AIR start up met BUBBLESUMOFFICE. Gemeenschappelijke deler is het schrijven als onderdeel van de bureaupraktijk. Volgens mij schrijft  SUMoffice om mogelijke thema’s te onderzoeken en verdiepen en gebruikt zij redactie-ervaring om haar werk haarfijn te presenteren. Voor bubble is schrijven een middel om debat los te maken dat zij kan inzetten naast (of in combinatie met) andere middelen zoals ontwerpen. Het is naar buiten gericht. Voor beide bureaus is het duidelijk dat schrijven integraal onderdeel is van  haar vakbeoefening. Op de vraag hoe schrijven (of misschien wel kritiek)  in hun ‘businessplan’ opgenomen is wisten beide bureaus geen echt antwoord te geven. Ze doen het wel, de meerwaarde die het voor hun oplevert is nog niet bekend, het zit dus nog gewoon in de aard van het beestje.

En welke teksten zijn dan meer ‘waar’ of misschien zelfs ‘eerlijker’? Die van de analyticus die iets tot op de bodem uit wil zoeken en dat (uit altruisme misschien) met iedereen wil delen? Of die van degene die zich opwindt en ons van zijn standpunt probeert te overtuigen uit oprechte betrokkenheid? Enfin. Thuis is in zicht, goede nacht.

Openbaar interieur: Stervende zwaan of herrijzende Phoenix?

Publieke ruimte? - Hal centraal station Den Haag - foto (tim de boer en julliette reiniers)

Publieke ruimte? - Hal centraal station Den Haag - foto (tim de boer en julliette reiniers)

[lang_nl]

Met de bouw van de Markthal, de Kubus, de Rotterdam en het nieuwe stadskantoor wordt een enorme hoeveelheid overdekte ruimte aan het openbare leven van Rotterdam toegevoegd. Betekent dit een renaissance van het openbare interieur? Of juist een zwanenzang? AIR organiseerde eind vorig jaar, samen met Matthijs de Boer Stedenbouw, een avond over het openbare interieur. Want wat is dat nu eigenlijk? En hoe ontwerp je zo’n ruimte?

Het bleek een uitermate vaag begrip. De term ‘openbaar interieur’ wordt vaak gebruikt om aan te geven dat een gebouw in het stedelijke netwerk als een vrijblijvende verblijfsplaats functioneert, of als het een publieke functie heeft. Matthijs de Boer probeerde het begrip te verduidelijken door de overbekende voorbeelden te tonen. Dus kwamen onder andere de Griekse Agora, de Nollikaart, het Grand Central Station in New York, het hoofdpostkantoor in Rotterdam en het stadhuis in Den Haag (weer) voorbij.

Hij probeerde zo duidelijk te maken dat openbaar interieur een bepaalde ruimtelijke vorm heeft. Daar slaagde hij volgens mij niet in. Natuurlijk is een zekere mate van openheid en toegankelijkheid van belang om van openbaar interieur te spreken. Maar het ontwerp is niet doorslaggevend. Het beheer is belangrijker. De genoemde voorbeelden hebben nooit de rol van openbaar interieur nagestreefd ( op misschien het stadhuis in Den Haag na). Deze voorbeelden kregen pas tijdens het gebruik de rol als verlengstuk van de openbare ruimte. Om het preciezer te formuleren: In een openbaar interieur is het toegestaan de ruimte anders te gebruiken dan waar hij oorspronkelijk voor bedoeld is. Het hangt dus van de eigenaar of beheerder af in hoeverre een ruimte zich kan ontwikkelen tot openbaar interieur.

Het lijkt de laatste twintig jaar goed te gaan met het aanbod van openbaar interieur. Er wordt steeds meer voor een groot publiek toegankelijke overdekte ruimte aan de stad toegevoegd. Dit heeft echter veelal een uitgesproken commercieel doel. Het Alexandrium, de Koopgoot en Hoog Catharijne zijn daar allemaal voorbeelden van. Dit zijn geen openbare interieurs in de klassieke zin (zoals hierboven geformuleerd). Deze nieuwe overdekte ruimtes zijn beter te begrijpen als we ze bekijken vanuit de theorie van Lieven de Cauter. Die stelt in zijn boek De Capsulaire Beschaving dat we steeds meer in capsules leven. Binnen die capsules komen we alleen gelijkgestemden tegen. Het gebruik van deze ruimtes wordt strak gereguleerd en gecontroleerd. Dat is dus precies het tegenovergestelde van een openbaar interieur.

Het openbare interieur zoals dat ontstond in de 19de en 20ste eeuw staat – ook volgens Mathijs de Boer – onder druk. De grote postkantoren zijn gesloten en de Nederlandse stations zijn, na de privatisering van de spoorwegen, commercieel vastgoed geworden. De stations zijn bij deze overgang (nog) niet wezenlijk veranderd , maar door actief beheer en kleine interventies (weghalen bankjes en zitgelegenheid, meer ruimte voor commercie, wegsturen zwervers) zijn het al lang geen openbaar interieurs meer. Na de invoering van de OV-chipkaart zal dit nog duidelijker zichtbaar zijn, aangezien je dan moet inchecken als je in het station wilt verblijven. Het is natuurlijk interessant om te zien hoe het station zich dan gaat ontwikkelen. Komen er weer bankjes? Wordt het weer een verblijfsplek? En komen er methodes om aan de controle te ontsnappen?

Matthijs de Boer heeft in zijn onderzoek een toolbox ontwikkeld die je als ontwerper kunt gebruiken bij het ontwerpen van openbaar interieur. In deze toolbox doet hij suggesties over de mogelijke ontwerptechnieken (van ruimtelijke oplossingen tot materiaalgebruik) die bijdragen aan het ontwikkelen van goed openbaar interieur. Deze toolbox is door Scheurwater- van den Hoven, Équipe en Mei Architecten in drie casestudies (natuurlijk in Rotterdam) getest. De drie ontwerpteams hadden de toolbox anders geïnterpreteerd. Ervan afwijken had geen nadelige effecten op de kwaliteit van de ontwerpen. Het is dus geen checklist die je alleen maar hoeft af te werken en dan heb je openbaar interieur. De toolbox lijkt juist vooral van waarde te zijn in het contact met de opdrachtgever voorafgaand aan het ontwerpen. De ontwerper kan hem gebruiken om een discussie te voeren over de rol van het gebouw in de stad.

De verschillende casestudies waren alle drie van hoog niveau. Door slimme ruimtelijke oplossingen waren er duidelijk plannen ontstaan die een meerwaarde hadden ten opzichte van de bestaande oplossingen. Toch waren het nog geen openbare interieurs. Dat is aan de toekomstige beheerders en gebruikers om te bepalen. De geplande toevoeging van vele vierkante meters overdekte ruimte in Rotterdam betekent dan ook niet automatisch dat het openbaar interieur een opleving beleeft. Dat kunnen we pas weten als de gebouwen opgeleverd en in gebruik zijn. Als ontwerper kunnen we daar niet veel aan bijdragen, behalve goede ontwerpen te blijven maken.

Dit artikel verscheen eerder op Archined. [/lang_nl]

[lang_en]

This article is not available in English.. Sorry! [/lang_en]

Kansen op een veiligere stad

Op 13 november organiseerde het Institute for Housing and Urban development Studies in samenwerking met AIR een avond rond het thema safe cities. Het was geen avond die ging over flitsende architectonische oplossingen of de nieuwste technologische middelen. Het ging vooral over beleid.

Als hoofdsprekers waren Lydia Fitchko (directeur Social Policy, Analysis and Research in the Social Development division) en Denise Campbell (manager, Community Development) uit Toronto overgekomen. De criminaliteit is in Toronto van een andere orde dan in Nederland. Of zoals ze het zelf formuleerden: ‘We would love to have the crime rates of Rotterdam’. Om Toronto veiliger te maken is in 1998 het ‘Safe City Safer’ programma bedacht. In de vier ergste achterstandsgebieden – zeg maar Canadese Vogelaarwijken – zal de criminaliteit op een innovatieve manier worden aan gepakt. De bewoners van deze wijken hebben volgens Fitchko en Campbell niet gefaald, het is de overheid die heeft gefaald om kansen te creëren voor deze mensen. Eerste doel van het programma is dan ook het vertrouwen van de bewoners terug te winnen. Om dit te bewerkstelligen worden vertegenwoordigers van alle gemeentelijke diensten, van politie tot sociale woningbouw, in een NAT (Neighbourhood Action Team) opgenomen. In eerste instantie moeten de organisaties eerst van elkaar te weten komen wat zij precies in de wijk doen (vaak werken ze langs elkaar heen). Vervolgens proberen de diensten hun service te verbeteren. Ook moet het NAT op maat gesneden hulp gaan aanbieden. Er is bijvoorbeeld een programma voor jonge moeders waarin niet alleen een opleidingsplek is geregeld, maar ook kinderopvang en financiële ondersteuning bij het huren van een eigen woning.

Het programma richt zich vooral op de jeugd. Samen met een Youth Council wordt een NAP (Neighbourhood Action Plan) opgesteld. De jongeren hebben bij het opstellen van dit plan het laatste woord. Zij zijn degenen die de beslissingen nemen. Voor het uitvoeren van deze NAPs is er niet meer publiek geld dan normaal beschikbaar. Wil men iets extra doen, dan zullen private partijen gevonden moeten worden die het beschikbare budget aanvullen. De eerste resultaten laten zien hoe dit werkt. Microsoft heeft bijvoorbeeld in één van de wijken een multimedia centrum gerealiseerd. Hier mogen jongeren gebruik maken van de faciliteiten en kunnen ze cursussen volgen. Naast het actief betrekken van de jeugd bij de projecten en het bieden van opleidingen, worden jongeren ook echt aan banen geholpen in zowel de private als publieke sector. Het programma bestrijdt dus niet direct criminaliteit, maar is gericht op de onderliggende factoren. De NAPs zijn bedoeld om de jongeren in de deze wijken te motiveren en mogelijkheden te scheppen voor een succesvolle deelname aan de stad.

Een groter contrast met de Rotterdamse aanpak is niet mogelijk. Natuurlijk zag Arjen Littooij, directeur Veiligheid gemeente Rotterdam, dat anders. Vooral het ‘just do it’ gehalte sloot volgens hem goed aan bij het ‘geen woorden, maar daden’. Hij vertelde over het afschaffen van het plannen maken in Rotterdam, want plannen werden toch nooit uitgevoerd. In Rotterdam werken ze nu met actieprogramma’s en zijn er stadsmariniers aangesteld die vergaande bevoegdheden hebben. En net als in Toronto wordt alles gemeten. In Rotterdam gebeurt dat via de Rotterdamse Veiligheidsindex. Als zogenaamde verbetering op de objectieve methode in Toronto maken ze in Rotterdam voor 2/3 gebruik van subjectieve gegevens, dat wil zeggen, ze meten of u zich veilig voelt. Als uitsmijter van zijn verhaal beloofde Littooij dat Rotterdam de grenzen van de wet (en de moraal?) zal blijven opzoeken om haar inwoners te beschermen. Rotterdam blijft dus inzetten op Zero Tolerance en handhaving, terwijl de ervaring in Toronto leert dat die aanpak alleen niet voldoende is om safe cities te maken.

Gelukkig redde Kristian Koreman (ZUS) het imago van Rotterdam. Hij vertelde in een kort maar krachtig verhaal over de rol die de ontwerper kan spelen bij veiligheidsvraagstukken. Het veilig voelen is volgens hem niet alleen het resultaat van handhaving, maar hangt ook samen met leefbaarheid van de publieke ruimte. ‘s Nachts alleen in een verlaten stad is immers wel veilig, maar voor de meeste mensen voelt dat toch niet zo. Hij verhelderde zijn stelling door regels op te sommen die volgens hem de stad een stuk leefbaarder en veiliger maken. Regels zoals: Zero Tolerance kost alleen maar geld; zijn er misschien manieren die op termijn geld opleveren? Zorg dat de publieke ruimte en veiligheidsmaatregelen mooi zijn vormgegeven. Accepteer onverwacht en onbedoeld gebruik van de publieke ruimte.

De presentaties van Fitchko, Campbell en Koreman toonden aan dat veiligheid niet alleen draait om handhaving en repressie. Het gaat net zo goed om het creëren van kansen, het niet bang zijn voor onverwacht gebruik van de publieke ruimte en het niet buiten sluiten van mensen. Niet alle regels van ZUS zijn even gemakkelijk in de praktijk toe te passen, maar ze geven wel aan hoe belangrijk de stedenbouw, architectuur en vormgeving van de publieke ruimte is voor een gevoel van veiligheid. Misschien kunnen we de hopeloos subjectieve veiligheidsindex zelfs gebruiken. Niet om veiligheid te meten, maar om te bepalen waar toepassing van de regels van ZUS gewenst is.

Tim de Boer | Den Haag | 01/12/2008 | verschenen op Archined