All posts in Critism

Gekocht: Archis – 1986 -2000

archissen
Een week geleden heb ik een aantal complete jaargangen van het tijdschrift Archis tweedehands aangeschaft (en de tijdschriftenbakken kreeg ik erbij). Wat ik al vaak gehoord heb blijkt ook echt waar: De oude Archis is echt beter (dan de nieuwe: Volume). Lange artikelen die nu ook weer relevant zijn omdat de besproken gebieden nu weer aan verbouwing toe zijn. Zo trof ik in de jaargang 1986 Scheveningen-Bad in Den Haag aan. Een haarfijne analyse van de openbare ruimte aldaar gaf precies het huidige probleem aan van de badplaats. En dat al in 1986. En de recentelijke visie van de gemeente? Die miste dat punt volledig.. maar dat terzijde.

Helaas is er nog geen digitale editie van de Archis (en de bladen ervoor en erna) beschikbaar zoals dat bijvoorbeeld bij het Amerikaanse opinieblad The New Yorker er al wel is. Dat zou het zoeken naar interessante artikelen wel makkelijker maken. Gelukkig zijn de jaargangen tweedehands nog gewoon beschikbaar. En wat het kopen nog leuker maakte: een vriendelijke ontvangst met koffie en een koekje en een goed gesprek over architectuur. Bedankt Marian & Hans!

 

Ken Yeang – BioClimatic City / Verticale stedenbouw.

In het kader van de Academie van Bouwkunst Rotterdam / AIR lezingenserie over de toekomst van Rotterdam -Rotterdam Reinvented- sprak op 28 maart 2008 de Maleisische architect Ken Yeang over hoogbouw, in het bijzonder over eco-skyscrapers.

Read more…

Het nieuwe Nederlandse Landschap

Energiewinning heeft in Nederland  altijd sporen in het landschap achtergelaten. De veenplassen in Zuid Holland zijn het resultaat van het afgraven van het laagveen dat werd als turf opgestookt. Toen deze bron op was kwam er in het noordoosten een bloeiende turfeconomie in het hoogveen tot stand.  Voor de mijnbouw zijn er daarnaast grote dennenbossen aangeplant. Wat wij nu als waardevolle -en daarom beschermde– landschappen zien is vaak het resultaat van (open) mijnbouw in het verleden.

De recente energieproductie op basis van delfstoffen heeft in Nederland echter niet of nauwelijks tot een impact op het landschap geleid. Olie en gas worden immers diep onder de grond gewonnen. Welke impact zullen duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie, vergisting en windenergie, dan hebben op het landschap?

Zonnecellen worden  in Nederland meestal geplaatst op het dak of verwerkt in de daken of gevels van nieuwe gebouwen. De nieuwe stationsoverkapping in Rotterdam heeft bijvoorbeeld zonnecellen die direct in het glas verwerkt zijn. Grote zonne-energiecentrales zoals in Californië komen in Nederland niet voor. De impact van  zonne-energie blijft beperkt tot de stedelijke omgeving.

Bio-(mest)-vergistingsinstallaties worden steeds verder opgeschaald. Zodra meerdere boeren samen zo’n installatie gaan exploiteren ontstaat er een behoorlijk grote ‘fabriek’ die niet meer onopvallend op een boerenerf kan worden ingepast. Naast de installatie zelf heeft ook het telen van de toeslag-gewassen (deze zijn nodig om de vergisting te ondersteunen) invloed op het landschap. Waar eerst aardappels stonden kan dan bijvoorbeeld energiemais van vijf meter hoog komen te staan.

Windmolens zijn van grote afstand te zien in ons vlakke landschap. Zij roepen dan ook het meeste verzet op. De discussie over de plaatsing van windmolens gaat vaak over de vervuiling van de horizon, geluidsoverlast voor omwonenden en aantasting van het historische karakter van het landschap. In het huidige beleid moet bij elke windmolenlocatie opnieuw onderzoek worden gedaan naar de landschappelijke impact. Steeds meer partijen komen nu tot het inzicht dat een grootschalige omschakeling op duurzame energie  (vooral windenergie) niet kan gebeuren op basis van dit ad-hoc plaatsingsbeleid. Het is beter -en sneller- om vanuit het landschap eerst te bepalen waar er windmolens mogen komen.

Een goed voorbeeld daarvan is de Provincie Noord-Holland die, samen met de gemeente Wieringermeer, tot het inzicht kwam dat de ambitie voor windenergie in die gemeente zo groot is, dat uitgaan van behoud geen optie meer is. Als voorbereiding op deze grote ingreep in deze – verder lege – polder is in 2009 een windweekend georganiseerd. Tijdens deze manifestatie stond windenergie in al haar vormen centraal. Zo werd de bevolking betrokken bij de plannen, en begrip gekweekt voor de  grote impact die het plaatsen van de nieuwe turbines heeft.

Tegelijkertijd zijn landschapsarchitecten aan de slag gegaan om de mogelijkheden voor plaatsing en de invloed daarvan op het landschap te onderzoeken. Door de grote hoogte van de molens (ashoogte 120 meter en tiphoogte 180 meter) zal die impact niet gering zijn. In de uitwerking van de plannen zullen de bestaande molens (ongeveer 35) verdwijnen. Door in een keer een plan te maken voor de hele polder  is meteen voor de bewoners duidelijk hoe dat er uit komt te zien. Er kan geen ‘wildgroei’ optreden.  Er wordt een nieuwe laag aan het landschap toegevoegd die aansluit op de bestaande structuren in de polder.

Een ander belangrijk verschil met het huidige beleid is dat Wieringermeer meent dat een deel van de winst van de uiteindelijk te plaatsen 200-400 MW ten goede dient te komen aan de inwoners van de gemeente. Nu gaan alle opbrengsten nog naar de exploitanten. Profiteren kan op veel manieren – De Windvogel is daar natuurlijk een goed voorbeeld van. Het kan ook een beetje anders: bij een van de huidige locaties doet de exploitant elk jaar een bijdrage aan de kas van de bewonersvereniging. Hoe de plannen er precies uitzien maakt de gemeente 14 maart bekend.

De plaatsing van de nieuwe windmolens zal de Wieringermeer voorgoed veranderen. Er wordt een nieuwe laag duurzame energiewinning aan het landschap toegevoegd. Het zorgvuldig ontwikkelde windplan garandeert dat de plaatsing niet tot een onrustig beeld zal leiden en vergroot de betrokkenheid van de bewoners. Misschien worden zij wel zo trots op het resultaat dat de Wieringermeer over honderd jaar een beroemd -en beschermd –  landschap is.

Voor het windplan Wieringermeer zie na 14 maart: www.wieringermeer.nl. Zie ook het boek Energielandschappen van Tom Bade. <update april 2011: Provincie Noord Holland wil in de nieuwe regeerperiode geen windenergie op land meer>.

Dit artikel verscheen in de Windvaan, het blad van de windmolenvereniging De Windvogel.

Down Detour Road – Ontwerp, een omweg waard?

@LEVSarchitecten heeft mijn favoriete boek van 2010 gerecenseerd in hun blog: http://goo.gl/bzrf0 (DownDetour Road – Eric Cesal – kopen) Nu hoef ik dat dus niet zelf meer te doen. Ik ga wel even mijn eigen kladrecensie ernaast leggen. Zijn er overeenkomsten?


Ontwerp, een omweg waard?

De flaptekst beloofde een smeuïg – en herkenbaar- verhaal over de belevenissen van een pas afgestudeerde Amerikaanse architect. Hoe zou het hem vergaan tijdens de economische crisis? Ik had de flaptekst beter moeten lezen, want na enkele hoofdstukken zat ik diep in een manifesto over de toekomst van de architect. In Down Detour Road waarschuwt Eric J. Cesal voor een wereld waarin voor ontwerpen geen plek meer is.

Het boek begint met een beschouwing van de maatschappelijke positie van de architect. De architect heeft als persoon een positief imago. Architecten worden in de mainstream media meestal als succesvol, creatief en interessant weergegeven. De dagelijkse praktijk van de architect is echter – in tegenstelling tot beroepen met vergelijkbare sociale posities, zoals advocaten of doktoren-  geen onderwerp voor films of tv-series.

De vergelijking met advocaten en doktoren maakt Cesal vaker in het boek. In tegenstelling tot architectuur zijn beide beroepen bijna onmisbaar geworden. Binnen hun vakgebied zijn ze monopolist. Er zijn geen tv-programma’s over doe-het-zelf opereren – “Verbouw je buurvrouw” of doe-het-zelf strafzaken – “Kan je je beste vriend redden in de rechtbank?”. Cesal illustreert dit ook treffend met de mop over een advocaat, dokter en architect die, zonder geld, een bar bezoeken. De barman kan de vaardigheden van de dokter of advocaat wel gebruiken. Maar een architect? Daar heeft hij geen emplooi voor.

Cesal stelt dat de positie van de architect in het bouwproces steeds verder wordt uitgehold. Tegelijkertijd geeft hij aan dat de bezorgdheid hierover niet nieuw is. Al in de jaren ’60 werd er op gewezen. Dit is deels een autoriteitsprobleem. In de rechtszaal en het ziekenhuis is de positie van de dokter of advocaat vanaf het begin duidelijk. Een advocaat moet zijn zaak beargumenteren voor een hogere macht en is zodanig daaraan ondergeschikt. Een dokter staat juist aan het hoofd van een team (verplegers, anesthesist, laborant) om het beste resultaat voor de patiënt te krijgen. Als architect hebben we die vaste positie in het bouwproces niet. Bij elk nieuw project moet de architect zich een nieuwe rol aanmeten.

In de twee  schema’s geeft Cesal treffend aan welke uitkomsten het ontwerpproces kan hebben voor de opdrachtgever en de architect. Een opdrachtgever wil bouwen. Hij heeft dus alleen succes als het gebouw daadwerkelijk is opgeleverd. Een architect kan ook veel hebben aan een niet-gebouwd, maar veel gepubliceerd ontwerp. Het ontwerpproces is voor de opdrachtgever dus niet relevant, zolang er maar iets wordt gebouwd. Voor de architect is ontwerpen juist veel belangrijker, want dat kan onafhankelijk van het bouwen toch resultaat opleveren. De opdrachtgever wil –nu nog meer dan in financieel betere tijden – alleen betalen voor het resultaat, het proces daarnaartoe is onbelangrijk.

De architect moet dus continue aantonen dat ontwerpen iets extra’s oplevert. Een voorbeeld dat Cesal geeft is de vaak gehoorde klacht dat het gebouw ‘goedkoper moet’. Cesal toont aan dat dit meestal niks met kosten te maken heeft. Het gaat om het rendement dat het gebouw oplevert. Als de architect duidelijk kan maken dat door 50.000 euro meer te investeren het gebouw 100.000 euro meer oplevert zal de opdrachtgever dat zeker laten meewegen in de beslissingen. Het verdiepen in de achtergronden van een gebouw kan het ontwerp dus ten goede komen, zolang de architect bereid is verder te kijken dan zijn eigen vakgebied.

Een ander verschil met de advocatuur of medicijnen is dat de beloningspiramide in de architectuur heel steil is. Een kleine, smalle top heeft een bovengemiddelde beloning; Er is echter ook een hele brede onderlaag die juist ver onder de gemiddelde beloning zit. De verleiding om een gokje te wagen in een aanbesteding of prijsvraag is dan ook groot – want dit is vanuit de individuele ontwerper gezien de kortste weg naar een betere positie.

Ook in Nederland verzetten architecten bergen werk in aanbestedingen en competities zonder de opdracht te krijgen  Fred Schoorl twitterde bijvoorbeeld recent: “Gekke aanbestedingen? Er kwam een geval ter sprake waarbij de gunning ging naar een bieder van -1 Euro tov een partij die 0 bood #goedbezig“. En Harm Tilman rekende onlangs op zijn blog van de Architect nog uit wat een normale aanbesteding de deelnemende bureaus kost. Het komt erop neer dat een opdrachtgever voor weinig geld een enorme keuze uit ideeën krijgt. Gezamenlijk hebben de deelnemers echter voor een heel laag uurloon gewerkt.

Cesal laat de consequenties zien wanneer alle individuen handelen voor een maximaal resultaat. Het individuele handelen heeft gevolgen voor de gehele beroepsgroep. De genoemde problemen zijn niet los van elkaar op te lossen. Het vraagt samenwerking – tussen de top en de brede onderlaag-, zelfbeheersing en een nieuwe houding ten opzichte van de opdrachtgever. Ook roept het vragen op over het gemak waarmee architecten hun ideeën verkopen. De kiem daarvoor wordt volgens Cesal al in het onderwijs gelegd. De komende tijd is het dus zoeken naar nieuwe modellen om te voorkomen dat de architect met lege handen achterblijft.

Cesal geeft in Down Detour Road daarvoor al een zoekrichting aan. De relevantie van het ontwerpen kan worden aangetoond door nieuwe, uitvoerbare, ruimtelijke oplossingen te ontwikkelen voor maatschappelijke vraagstukken.

Onderzoekslab Continued – Onderzoekslab toont waarde van snel onderzoek

[lang_nl]

Zes onderzoekslabs onder de titel ‘Nederland wordt anders’, presenteerden onlangs hun resultaten. Werkloze ontwerpers konden zich daarmee in de schijnwerpers spelen. Maar heeft het vak er ook iets aan behalve dat er 85 werklozen van de straat waren?

Het Atelier Rijksbouwmeester heeft de afgelopen maanden hard gewerkt om van de labs een succes te maken. Gratis accommodaties voor de onderzoeksteams om ter plekke te kunnen werken, sponsoring in de vorm van software en werkmateriaal en uiteindelijk – na een langdurig gevecht met Sociale Zaken en het UWV – een onkostenvergoeding om de reiskosten van de deelnemers te dekken. Op 14 januari vonden in Utrecht de eindpresentaties plaats van de eerste zes onderzoekslabs.

In de labs deden werkeloze ontwerpers onbetaald onderzoek naar opgaven die van belang zijn voor het hele land. Deze opgaven konden door belanghebbenden worden aangereikt. Het Atelier Rijksbouwmeester trad tijdens het onderzoek op als opdrachtgever om te voorkomen dat de onderzoeken te veel op gewone opdrachten gingen lijken. Het moesten vooral onderzoeken worden die het talent van de deelnemers zouden ontwikkelen en nieuwe manieren van werken zouden opleveren.

Verscheidene labs bleven echter steken in de casestudie met een aanpak die niet vertaald werd naar een algemeen geldende methode. Zoals het Onderzoekslab Almere Haven. Uit de analyse van de opgave kwam een erg interessant gegeven naar voren. De groei van Almere vindt eigenlijk alleen plaats in nieuwe wijken. Voor het ontwikkelen van de stad als geheel zou het beter zijn als ook een flink deel van de bouwopgave in de oude wijken werd gerealiseerd. Maar de groep deed weinig met dat gegeven. Voor de transformatieopgave stelden de ontwerpers een gereedschapskist met mogelijke ingrepen voor. Daar werden op 14 januari twee realistische ontwerpen uit gepresenteerd. Een mogelijke verdichting bleef daarin onbesproken. Algemenere uitspraken over opgaven in vergelijkbare wijken werden ook niet gedaan. Het resultaat was vooral interessant voor de woningbouwcorporatie.

Ligt het belang van de labs dan in de methode van onderzoek in plaats van in het resultaat? Opvallend was dat er vaak een directe dialoog is gezocht met de bewoners. Bij de eindpresentatie werd dat gebracht als een belangrijke vernieuwing. Het leek mij eerder een gevolg van de onduidelijke opdrachtsituatie. Als je geen echte, betalende opdrachtgever hebt ga je je eigen opdrachtgever zoeken.

In Nagele leverde het betrekken van de bewoners echter wel een meerwaarde op. Daar wilde de lokale politiek graag gebruik maken van het ‘gratis’ lab om haar plannen uit te laten werken. De deelnemers, onder begeleiding van architect Pi de Bruijn voelden daar weinig voor. Zij zagen dat in Nagele al jarenlang een machtsstrijd speelt die steeds maar weer uitloopt op uitstel en afstel van plannen. Door samen te ontwerpen met de bewoners wordt er niet alleen vanuit de onderzoekslab druk gezet op de politiek en ambtenarij. Ook vanuit de bevolking staat de gemeente nu onder druk iets met de resultaten te doen. Het onderzoekslab Nagele heeft zo voorkomen dat zijn plan meteen op de stapel met oudere plannen zal belanden. De politiek staat voor het blok. Dit is tegelijkertijd de kracht en de zwakte van dit onderzoekslab. De status van het onderzoek – gratis en van buitenaf aangestuurd – betekent dat je buiten het moeras van de lokale politiek kan blijven. Maar in een mogelijke volgende fase kan je weer niet om de lokale politiek heen.

In de aankondiging van het onderzoekslab werd nadrukkelijk gesproken over multidisciplinair werken. Helaas bleek het grootste deel van de deelnemers werkeloos architect. In de groepen kan dan ook nauwelijks sprake zijn geweest van multidisciplinair werken. Het onderzoeklab Y-Placemakers – gericht op participatie van jongeren bij gebiedsontwikkeling – had daar een eigen oplossing voor gevonden. Zij huurden samen met de betrokken woningbouwcorporatie Ymere, junior consultants uit de doelgroep om te helpen bij het onderzoek.

Bij de presentaties vond iedereen het toch eigenlijk heel gek dat er niet meer van dit soort snelle onderzoeken aan de markt worden gegund. En niet alleen omdat je daar werkelozen mee bezig kan houden. Juist dit soort – eigenlijk stedenbouwkundige – onderzoeken kunnen een opdrachtgever enorm helpen om de potenties van een gebied in kaart te brengen. Dus waarom kan Utrecht geen studie betalen naar de potenties van het Jaarbeursterrein? En als Ymere zo graag met jongeren wil cocreëren, waarom betaalt Ymere dat onderzoek dan niet zelf?

Het is gek om iemand op zijn fatsoen aan te spreken – het Atelier Rijksbouwmeester roept de markt op om meer onderzoek te laten doen – als je zelf een serie onderzoeken opstart waarbij je gebruikt maakt van gratis personeel. Daarmee geef je nu net het verkeerde voorbeeld. Namelijk dat onderzoek het niet waard is om voor te betalen. Als ‘Nederland wordt anders’ bij opdrachtgevers kan leiden tot bewustwording over de rol van onderzoek zou dat mooi zijn, maar daar was op de presentatiedag nog niet veel van te merken.

De resultaten en een verslag van de presentatiedag zijn te vinden op www.nederlandwordtanders.nl

Dit artikel verscheen eerder in de Blauwe Kamer 2010-2.

[/lang_nl]

[lang_en]

This article, written for the Blauwe Kamer magazine, focusses on the results of the researchlabs that were initiated by the Rijksbouwmeester to help young architects in these times of crisis. Unfortunately the results are mixed.

And an English translation is not available

[/lang_en]

Liever een gevaarlijk plein

trap-mercure1

Sinds eind jaren ’90 ligt er een – volgens velen zielloos – hardstenen vlakte genaamd Spuiplein in het culturele hart van Den Haag. De nieuwbouw van een Cultuurcluster voor het Nederlands Dans Theater (NDT), het Residentieorkest en het Conservatorium aan het plein heeft de discussie erover weer doen oplaaien. Op 25 januari vond er in de foyer van het NDT een debatavond plaats over de toekomst van het Spuiplein. In het beklaagdenbankje zaten de gemeente, OMA en de betrokken instellingen.

De avond zou vooral over de toekomst van het plein moeten gaan, maar omdat concrete plannen voor het plein nog ontbreken was men daar snel over uitgepraat. De aandacht richtte zich vervolgens met name op de architectuur van de Cultuurcluster Spuiplein (door de tegenstanders ‘cultuursilo’ genoemd). De herontwikkeling van het Spuiplein als centrale locatie voor kunst en cultuur bevindt zich momenteel in een lastige parket. De meest mondige tegenstander, de PVV, is de tweede partij in de gemeenteraad geworden en zal er alles aan doen om deze ‘linkse hobby’ te laten struikelen. Politiek bedrijven is echter ook vooruitzien. Het vorige college heeft dan ook al flink de vaart in het project gezet. Er zijn voor de verkiezingen al twintig gerenommeerde architecten geselecteerd om een voorontwerp te maken voor het Cultuurcluster. Deze opdracht beperkt zich echter tot de begrenzingen van het lage blok (maar 50 meter hoog) zoals OMA die in haar verkennende studie getekend heeft. Het nieuwe Spuiplein is geen onderdeel van de opdracht. De aansluiting met het plein moet vooral tot stand gebracht worden door het plaatsen van levendige functies in de plint. De directeuren van het NDT en Residentieorkest hebben er, zo bleek in de discussie, alle vertrouwen in dat de architecten dit probleem kunnen oplossen.

De vakgemeenschap heeft dat vertrouwen (nog?) niet. Peter Drijver, architect in Den Haag, nam in het debat over het Spuiplein en de Cultuurcluster de rol van aanklager op zich. Op veel punten heeft hij gelijk. Zo zit de opdrachtverlening slecht in elkaar en waren de eisen aan de inschrijvers torenhoog (een ‘normale’ Europese aanbesteding dus). De lijst van twintig geselecteerden bevat vooral grote namen en weinig verrassingen. Het kersverse hoofd Stedenbouw Hans Kuiper gaf op de debatavond meteen toe dat een geïntegreerde aanpak van het gebied veel beter zou zijn geweest. Maar dat is volgens hem onder de huidige omstandigheden veel te ingewikkeld en daarom helaas onhaalbaar. Waarom een geïntegreerde aanpak niet meer mogelijk is legde hij helaas niet uit.Hij zegde wel toe zijn uiterste best te doen de opdracht aan de geselecteerde ontwerpers te verbreden en hun de vrijheid te geven verder te kijken dan het in de opdracht omschreven gebied, zonder dat dit tot diskwalificatie zal leiden.

De argumenten van Peter Drijver tegen de plannen voor het Spuiplein en de aanliggende gebouwen zijn niet alleen gericht op de slechte onderbouwing ervan en de erbarmelijke (uitvoering van de) procedure. Hij heeft ook een opvatting over het maken van pleinen. Hij stelt dat pleinen alleen werken wanneer de ruimte als een kamer voelbaar is. Er moet een relatie zijn tussen de wanden en de vloer. En die ontbreekt volgens hem zowel in de huidige situatie als in de nieuwe plannen. In zijn argumentatie maakt hij gebruik van moderne referenties, maar zijn opvatting over pleinen is heel klassiek. Dat is terug te zien in zijn eigen voorstel voor het Spuiplein. Daarin laat hij zien hoe het ook niet moet. Hij tekent langs het Spui en het Stadhuis een nieuwe straatwand die het Spuiplein omsluit en reduceert tot een doodnormaal pleintje. Zo sluit het plein volgens hem veel beter aan bij de structuur van de bestaande pleinen in Den Haag. Voor mij is het echter de vraag of de stad behoefte heeft aan nog zo’n ongevaarlijk plein. Juist in zijn huidige vorm is het bijzonder plein, overweldigend door zijn leegte en ligging. Er is een enorm contrast tussen het Spuiplein en de overkant van het Spui, waar de Nieuwe Kerk trots in haar tuin staat. Een spannende ontmoeting tussen oud en nieuw Den Haag.

292168517_9012ca76c4_o

Deze foto is gemaakt door Roel Wijnants. Voor meer van zijn werk zie link.

Dat er wel iets aan het plein gedaan moet worden is duidelijk. Sinds het eerste ontwerp uit de jaren negentig is er alleen maar bezuinigd. Het eerste plan van Busquets ging nog uit van een verdiept plein met daaromheen allerlei winkels en horeca, maar dat was te duur. Zelfs van de oorspronkelijke bestratingkeuze voor het huidige plein werd afgezien wegens de te hoge kosten. Dat kunnen we nu terugzien in het gebutste en gebroken uiterlijk en de vele schades die er in de afgelopen tien jaar zijn opgetreden.

De waarde van het Spuiplein voor de stad is pas echt duidelijk tijdens festivals of evenementen. Zoals tijdens de openluchtbioscoop of andere voorstellingen, wanneer de functieloze trap voor het Mercure Hotel eindelijk een functie heeft. Of tijdens het Today’s Art festival dat nu al twee jaar achter elkaar tamelijk briljante kassen op het plein heeft gezet die dienen als horeca en zalen. En als er geen activiteiten zijn is het er leeg en vaak een beetje guur. Dan vind je hier alleen geharde stadsgenoten als daklozen en skaters.

Volgens Hans Kuiper moet het nieuwe Spuiplein voor iedereen zijn. Een plein waar alle Hagenaars welkom zijn om te vertoeven. Die holle retoriek betekende eigenlijk – en dat concludeerde Steven van Lummel ook bij het afsluiten van de debatavond – dat het een plein zonder scherpe randjes moet worden voor de witte middenklasse. Daarmee zou het in de Haagse traditie vallen van ieder plein zijn eigen publiek. Het huidige Spuiplein is juist de uitzondering op die situatie. Het is echt open. Het is een ontmoetingsplek voor heel Den Haag. Skaters, daklozen, bezoekers van de verschillende theaters, bibliotheek en bioscoop, het winkelpubliek; iedereen kan hier tegen elkaar op botsen. Wat het Spuiplein zou moeten worden is het dus al.

Dit artikel verscheen eerder op Archined.

 

Openbaar interieur: Stervende zwaan of herrijzende Phoenix?

Publieke ruimte? - Hal centraal station Den Haag - foto (tim de boer en julliette reiniers)

Publieke ruimte? - Hal centraal station Den Haag - foto (tim de boer en julliette reiniers)

[lang_nl]

Met de bouw van de Markthal, de Kubus, de Rotterdam en het nieuwe stadskantoor wordt een enorme hoeveelheid overdekte ruimte aan het openbare leven van Rotterdam toegevoegd. Betekent dit een renaissance van het openbare interieur? Of juist een zwanenzang? AIR organiseerde eind vorig jaar, samen met Matthijs de Boer Stedenbouw, een avond over het openbare interieur. Want wat is dat nu eigenlijk? En hoe ontwerp je zo’n ruimte?

Het bleek een uitermate vaag begrip. De term ‘openbaar interieur’ wordt vaak gebruikt om aan te geven dat een gebouw in het stedelijke netwerk als een vrijblijvende verblijfsplaats functioneert, of als het een publieke functie heeft. Matthijs de Boer probeerde het begrip te verduidelijken door de overbekende voorbeelden te tonen. Dus kwamen onder andere de Griekse Agora, de Nollikaart, het Grand Central Station in New York, het hoofdpostkantoor in Rotterdam en het stadhuis in Den Haag (weer) voorbij.

Hij probeerde zo duidelijk te maken dat openbaar interieur een bepaalde ruimtelijke vorm heeft. Daar slaagde hij volgens mij niet in. Natuurlijk is een zekere mate van openheid en toegankelijkheid van belang om van openbaar interieur te spreken. Maar het ontwerp is niet doorslaggevend. Het beheer is belangrijker. De genoemde voorbeelden hebben nooit de rol van openbaar interieur nagestreefd ( op misschien het stadhuis in Den Haag na). Deze voorbeelden kregen pas tijdens het gebruik de rol als verlengstuk van de openbare ruimte. Om het preciezer te formuleren: In een openbaar interieur is het toegestaan de ruimte anders te gebruiken dan waar hij oorspronkelijk voor bedoeld is. Het hangt dus van de eigenaar of beheerder af in hoeverre een ruimte zich kan ontwikkelen tot openbaar interieur.

Het lijkt de laatste twintig jaar goed te gaan met het aanbod van openbaar interieur. Er wordt steeds meer voor een groot publiek toegankelijke overdekte ruimte aan de stad toegevoegd. Dit heeft echter veelal een uitgesproken commercieel doel. Het Alexandrium, de Koopgoot en Hoog Catharijne zijn daar allemaal voorbeelden van. Dit zijn geen openbare interieurs in de klassieke zin (zoals hierboven geformuleerd). Deze nieuwe overdekte ruimtes zijn beter te begrijpen als we ze bekijken vanuit de theorie van Lieven de Cauter. Die stelt in zijn boek De Capsulaire Beschaving dat we steeds meer in capsules leven. Binnen die capsules komen we alleen gelijkgestemden tegen. Het gebruik van deze ruimtes wordt strak gereguleerd en gecontroleerd. Dat is dus precies het tegenovergestelde van een openbaar interieur.

Het openbare interieur zoals dat ontstond in de 19de en 20ste eeuw staat – ook volgens Mathijs de Boer – onder druk. De grote postkantoren zijn gesloten en de Nederlandse stations zijn, na de privatisering van de spoorwegen, commercieel vastgoed geworden. De stations zijn bij deze overgang (nog) niet wezenlijk veranderd , maar door actief beheer en kleine interventies (weghalen bankjes en zitgelegenheid, meer ruimte voor commercie, wegsturen zwervers) zijn het al lang geen openbaar interieurs meer. Na de invoering van de OV-chipkaart zal dit nog duidelijker zichtbaar zijn, aangezien je dan moet inchecken als je in het station wilt verblijven. Het is natuurlijk interessant om te zien hoe het station zich dan gaat ontwikkelen. Komen er weer bankjes? Wordt het weer een verblijfsplek? En komen er methodes om aan de controle te ontsnappen?

Matthijs de Boer heeft in zijn onderzoek een toolbox ontwikkeld die je als ontwerper kunt gebruiken bij het ontwerpen van openbaar interieur. In deze toolbox doet hij suggesties over de mogelijke ontwerptechnieken (van ruimtelijke oplossingen tot materiaalgebruik) die bijdragen aan het ontwikkelen van goed openbaar interieur. Deze toolbox is door Scheurwater- van den Hoven, Équipe en Mei Architecten in drie casestudies (natuurlijk in Rotterdam) getest. De drie ontwerpteams hadden de toolbox anders geïnterpreteerd. Ervan afwijken had geen nadelige effecten op de kwaliteit van de ontwerpen. Het is dus geen checklist die je alleen maar hoeft af te werken en dan heb je openbaar interieur. De toolbox lijkt juist vooral van waarde te zijn in het contact met de opdrachtgever voorafgaand aan het ontwerpen. De ontwerper kan hem gebruiken om een discussie te voeren over de rol van het gebouw in de stad.

De verschillende casestudies waren alle drie van hoog niveau. Door slimme ruimtelijke oplossingen waren er duidelijk plannen ontstaan die een meerwaarde hadden ten opzichte van de bestaande oplossingen. Toch waren het nog geen openbare interieurs. Dat is aan de toekomstige beheerders en gebruikers om te bepalen. De geplande toevoeging van vele vierkante meters overdekte ruimte in Rotterdam betekent dan ook niet automatisch dat het openbaar interieur een opleving beleeft. Dat kunnen we pas weten als de gebouwen opgeleverd en in gebruik zijn. Als ontwerper kunnen we daar niet veel aan bijdragen, behalve goede ontwerpen te blijven maken.

Dit artikel verscheen eerder op Archined. [/lang_nl]

[lang_en]

This article is not available in English.. Sorry! [/lang_en]

Waardeverlies Wallen kost Amsterdam hoofdbrekens

image from wikimedia commons

Postcodegebied 1012 is het visitekaartje van Amsterdam. Dit drukke stuk binnenstad bevat het station en de toegang tot de rest van de stad. Hier is ook één van de grootste toeristische trekkers te vinden: de Wallen. Met ‘Plan 1012’ wil Amsterdam dit hele postcodegebied meer allure geven en een belangrijke economische opwaardering mogelijk maken. Voor de Wallen heeft deze gentrification grote gevolgen.

In Plan 1012 wordt de raamprostitutie met de helft teruggebracht. De gemeente zegt zo de illegale en gedwongen prostitutie te bestrijden en de voor criminaliteit gevoelige functies op de Wallen beter te kunnen controleren. Amsterdam wil dat de Wallen zich ontwikkelen tot een hoogwaardig creatief district met een mix van wonen, creatieve bedrijven, mode en hotels in plaats van louter prostitutiegebied. Tegenstribbelende prostituees en eigenaren beweren dat er op dit moment weinig tot geen misstanden in de sector zijn en dat zo hard ingrijpen helemaal niet nodig is. Zij beschuldigen de gemeente van het zwartmaken van de ondernemers in het gebied om zo ruimte te maken voor de door de gemeente gewenste ontwikkelingen.

De gemeente Amsterdam kiest met Plan 1012 voor een strategie gebaseerd op sleutelprojecten. Op een aantal centrale locaties ontwikkelt de gemeente samen met woningcoöperaties projecten die marktpartijen moeten overhalen ook te investeren in het gebied. Inmiddels zijn er op deze locaties heel wat panden aangekocht maar de echte vernieuwing laat op zich wachten. In de ramen van deze panden vindt nu Red Light Fashion District plaats, een manifestatie waarin modeontwerpers hun werk presenteren achter de ramen waar vroeger de prostituees hun werk deden.

De economische crisis heeft de impasse in het herstructureringsproces verergerd. Verschillende partijen dreigen zich uit de projecten terug te trekken vanwege de hoge kosten. Zij weten dat de gewenste omschakeling naar een luxe economie gebaseerd op merkenwinkels, hippe hotels en creatieve bedrijven niet van de ene op de andere dag zal gebeuren. Zij denken nog lange tijd verliezen te moeten afschrijven. Tsaiher Cheng (Boundary Unlimited) heeft een simpele rekensom gemaakt waaruit duidelijk blijkt waarom. Als we uitgaan van een pand met vier ramen leveren dat per maand 24.000 euro op (100 euro huur per raam per shift, 2 shifts per dag, 30 dagen). De hogere etages van het pand worden meestal niet eens verhuurd. Met een woonbestemming levert hetzelfde pand 6.000 euro op (voor het gemak passen er ook 4 luxe appartementen in het pand, 1500 euro huur per appartement). Het verschil is enorm. NV Stadsherstel onderzocht daarom de mogelijkheden om zelf ramen te gaan exploiteren gedurende de planvorming om inkomsten te generen. Daar lijkt Stadsherstel echter nu van af te zien omdat het toch wel gevoelig ligt om als semi-overheidsinstelling prostitutie te faciliteren.

Plan 1012 is een atypisch voorbeeld van gentrification. Normaal gesproken gaat immers de economische waarde gestaag omhoog zodra de plannen uitgevoerd worden. Op de Wallen zal die niet alleen eerst (drastisch) zakken omdat de meeste bedrijven die er nu zitten gigantische omzetten draaien. Ook de andere ondernemingen in het gebied zijn afhankelijk van de enorme stroom bezoekers die de prostitutie genereert. Het is daarnaast maar de vraag of de nieuwe mix ooit zoveel economische waarde zal hebben als de prostitutie en aanverwante activiteiten nu genereren.

De gemeente Amsterdam koos bovendien rare locaties om te herontwikkelen. Zo moet het gebied rond het Oudekerksplein raamvrij worden. Dit gebied bevat een aantal stegen met raamprostitutie die nu elke avond vollopen met toeristen en andere geïnteresseerden. Deze stegen zijn nauwelijks twee meter breed. Welke normale huurder wil daar nu gaan zitten? En wat heeft die daarvoor over aan huur? Deze gebouwen kunnen waarschijnlijk nooit zoveel opbrengen als er nu mee wordt verdiend.

De aanpak van het gebied was daardoor al een lastige klus in tijden van economische voorspoed. De investeringen zijn immers niet meteen terug te verdienen. Er moet op een langere termijn dan gebruikelijk worden gedacht. Nu commerciële en semicommerciële partijen zich terugtrekken uit het project blijft er van de illusie van een door de markt uitgevoerde herstructurering weinig over. Om de oorspronkelijke doelstellingen te halen zal de gemeente meer moeten doen dan de ramen via de Bibob-wetgeving te sluiten en op te kopen. Zij zal het ontbrekende kapitaal moeten bijleggen om de door haar gewenste mix van functies te realiseren.

Dit artikel verscheen eerder in de Blauwe Kamer 2010-1.

Het artikel is gebaseerd op onderzoek van en gesprekken met Tsaiher Cheng van Boundary Unlimited. Zij doen onderzoek naar andere mogelijkheden om de Wallen op te waarderen dan de methode die de gemeente gekozen heeft. Zij richten zich vooral op de intensivering van het gebruik. Daarvoor kijken zij naar de typologieën die in Taiwan en andere landen in het verre oosten ontstaan om de creatieve sector ruimte te huisvesten. Maar daarover later meer!

 

Prix de Rome 2009 – Staging a ‘Jane Jacobs’

I submitted a project in the Prix de Rome competition a couple of weeks ago. I didn’t win or made it onto the longlist. I guess kicking against the competitionbrief didn’t work this time. Anyway enjoy the presentation boards.

Complete presentation:

architect62

Board 1:

architect62-1

And board 2:

architect62-2

Anyway, i will upload a complete pdf of the presentation, so the small texts can also be read.

Breien voor de publieke ruimte – Breiguerilla Delft

imag0011-k

[lang_nl]Vrijdagavond was het zover. Na maanden wachten kreeg ik nu eindelijk het verlossende mailtje. Ik mocht mee. We zouden zondagochtend vroeg verzamelen op de Markt in Delft. Het was tijd voor breiguerilla.

Vooraf had ik uitgezocht wat de regels voor dit soort activiteiten zijn in Delft. Volgens de plaatselijke APV valt dit onder het algemen kopje graffiti. Daar kan je in ieder geval een boete van 90 euro voor krijgen. Ik verwachte dan ook opgewacht te worden door een geharde groep anarchistische kunstenaars. De werkelijkheid was iets anders. Anarchistische was de groep in ieder geval wel. Op de afgesproken plek was niemand te bekennen, wel was ik op de weg naar de Markt al een paar openbare breisels tegengekomen. Met mijn contactpersoon (M.) ging ik mee om haar werk op te hangen in een boom op de Markt zelf. Het was vanwege het illegale een eenvoudige klus. Binnen twee minuten hing de libelle van M. in de boom.

imag0003-k

imag0023-k

Hierna gingen we op zoek naar de andere leden van de groep. Ik herkende ze niet. Zij waren perfect vermomd om niet op te vallen tussen de vroege kerkgangers op deze zondagochtend. Bij de Oosterpoort vonden we twee leden van de groep die bezig waren een lijk in het gras te leggen. Een erg mooie ingreep die geloof ik nu nog steeds te bewonderen is. Ook brachten ze een gebreide hand aan bij de brug. Gezamenlijk liepen we terug naar de Markt. Daar had inmiddels het stadhuis een sjaal gekregen en een boom een rokje aan. Aan de andere kant van de markt was een brug versierd met twee uitermate schattige octopussen. En er was een bankje met sokken aan. De makers waren nergens meer te bekennen.

imag0018-k

imag0045-k

Anders was dat bij een andere groep. We troffen hen aan terwijl ze nog volop bezig waren hun werk te bevestigen. Uitgerekend deze groep werd door een politie surveillance gespot. En juist deze groep had een provocerende boodschap. Vier delftsblauwe piemels in opgewonden staat waren aan de brugleuning bevestigd. Daarmee leken de betrokken personen commentaar te leveren op het hoge gehalte mannen in de Delftse studentengemeenschap. De politie kwam al snel terug. Kerkgangers hadden geklaagd over het opruiende karakter van hun werk. Na namen genoteerd te hebben en foto’s gemaakt gingen ze contact opnemen met het hoodbureau om te vragen wat er moest gebeuren. Wij lieten de politie achter omdat hun beslissing wel erg lang duurde. De koffie wachtte.

En hoe het afliep? Van de politie moesten de piemels verwijderd worden, maar er was verder geen boete voor het breien in de openbare ruimte

[/lang_nl]

[lang_en]

Not available in English.
[/lang_en]

Load More